skip to Main Content
Betsy Ooms: Hoornkoraal met een brachiopode

Klik op de foto’s om ze te vergroten

Verhaal van Betsy Ooms

Hoornkoraal, Streptelasme rusticum, in combinatie met een brachiopode, Hebertella occidentalis

Mijn keuze voor het fossiel van deze verkiezing (zie foto 1) wordt bepaald door liefde en vriendschap en door het feit dat dit fossiel deel uitmaakt van mijn eerste, prachtige verzameling fossielen en geodes, die ik in mei 1980, in twee dagen, bij elkaar hakte en zocht.  In 1979/1980 studeerde ik op een studiebeurs een jaar in de Verenigde Staten, aan de Indiana University in Bloomington. Een Amerikaanse geoloog met sabbatical vroeg mij 2 dagen mee naar een fossielrijke weginsnijding bij Madison, in het zuiden van Indiana, op de grens met Kentucky. De liefde werd een goede vriendschap die tot op de dag van vandaag duurt!

In het gebied van Indiana waarin Madison ligt komen afzettingen uit het Ordovicium aan de oppervlakte. Indiana lag in het Ordovicium ten zuiden van de evenaar, op Laurentia, dat bedekt was door een ondiepe oceaan (zie afbeelding 2).

Als gesteenten zijn kalksteen en schalie in dit gebied overheersend. De afzettingen bevatten een overvloed aan mariene organismen zoals brachiopoden, bryozoën, trilobieten, blastoïden en koralen. Ook ik profiteerde daarvan. Zie mijn collectie (afbeelding 3).

Het hoornkoraal hoort tot de Orde Rugosa, een groep van solitaire koralen, voor het eerst voorkomend in het Ordovicium en ja, in Noord-Amerika. Ze verspreidden zich snel en evolueerden dynamisch.  Nog in het Ordovicium bestonden er 10 families, verdeeld over 6 suborden.  De bouw, groei en evolutie van de Rugosa, bijvoorbeeld van de verticale tussenschotjes (septa), is zeer boeiend. Zie hiervoor Gea september 2002, nummer 3 (15-21).
Zie septa op afbeelding 4 met dwarsdoorsnede.

De dode koralen verschaften een harde oppervlakte voor de groei van andere mariene organismen. Daar is ‘mijn beste vondst’ een voorbeeld van. De brachiopode op het koraal, de Hebertella occidentalis, is een exemplaar van een uitgestorven geslacht, dat voorkwam in het Ordovicium.  De 3-4 cm lange, dikschalige brachiopode heeft een vrij platte steelklep en een sterker gebogen armklep, met een diepere plooi. De schelp is bezet met fijne radiale ribben.  Ook deze brachiopode was met een steel verankerd aan de ondergrond. Dit is een van de verschillen met de veel algemenere tweekleppigen, waarmee brachiopoden regelmatig verward worden. De oudst bekende brachiopode komt uit het Cambrium. Er zijn zo’n 30.000 fossiele soorten bekend, vooral vele uit het Paleozoïcum. Nu leven er nog zo’n 200 soorten.

Back To Top